Prinsjesdag 2021 en de fiscale plannen vanaf 2022

Het is weer zo ver, derde dinsdag van september is het weer Prinsjesdag geweest. Op Prinsjesdag heeft koning Willem-Alexander de Troonrede voorgelezen, met daarin de plannen van het demissionaire kabinet, en heeft de regering de begroting voor het komend jaar gepresenteerd. Wij zullen u met dit blog updaten over de fiscale veranderingen. Op Prinsjesdag is het wetsvoorstel Belastingplan 2022 bij de Tweede Kamer ingediend.

Belastingplan 2022

In het pakket Belastingplan 2022 staan dit jaar voornamelijk kleine(re) wijzigingen waarmee het belastingstelsel wordt verbeterd. Er worden met name verbeteringen aangebracht in de bestaande belastingen op het gebied van wonen, werken, vergroening en het startende bedrijfsleven. Het pakket Belastingplan is daarmee beleidsmatig een stuk kleiner dan vorige jaren, passend bij de demissionaire status van dit kabinet. Voor lijst met wijzigingen kunnen wij u verwijzen naar website van Rijksoverheid.

Acht Fiscale maatregelen

1) COVID-19 Maatregelen

Door de coronacrisis getroffen ondernemers konden onder voorwaarden van de overheid een tegemoetkoming krijgen volgens de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS). Sommige ondernemers hebben ook een subsidie ontvangen op basis van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL). Deze tegemoetkomingen en subsidies zullen met terugwerkende kracht worden vrijgesteld van winstbelastingen.

De Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKB-ondernemingen COVID-19 is opgevolgd door de Regeling subsidie vaste lasten COVID-19 (SVL). Bedrijven kunnen onder voorwaarden volgens deze regeling een tegemoetkoming krijgen voor hun vaste lasten vanaf het tweede kwartaal 2021. De wetgever wil deze subsidie ook vrijstellen van winstbelasting, maar maakt daarbij een voorbehoud. De Europese Commissie moet namelijk de vrijstelling goedkeuren. De voorwaardelijkheid van de vrijstelling ziet alleen op een eventuele verlenging van de SVL vanaf het vierde kwartaal van 2021.

Al eerder is voorgesteld en goedgekeurd de vrije ruimte van de werkkostenregeling (WKR) voor het jaar 2021 te verhogen. De vrije ruimte is daarbij vastgesteld op 3% van de fiscale loonsom tot en met € 400.000, plus 1,18% van het meerdere. Nu wordt de eerdere goedkeuring in de wet vastgelegd. De verruiming van de vrije ruimte biedt werkgevers mogelijkheden om hun werknemers in de moeilijke coronatijd extra tegemoet te komen. Bijv. door het ver-strekken van een cadeaubon of om onbelaste thuiswerkkostenvergoedingen te verstrekken, naast de mogelijkheden die er al zijn.

2) Ondernemers

In 2022 daalt de gewone zelfstandigenaftrek verder van € 6.670 naar € 6.310 voor ondernemers die nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Ondernemers die wel de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, zien hun zelfstandigenaftrek dalen van € 3.335 naar € 3.155. De zelfstandigenaftrek zal jaarlijks verder dalen tot € 3.240 in 2036.

De milieu-investeringsaftrek (MIA) kent drie categorieën van milieu-investeringen. Categorie I wordt uitgebreid met bepaalde groene investeringen, waaronder een lichte elektrische bestelauto en een ondergrondse waterberging. Bovendien stijgt de MIA voor categorie I van 36% naar 45%. De MIA voor categorie II stijgt van 27% naar 36%. Voor categorie III stijgt de MIA van 13,5% naar 27%.

Sinds 2017 kan het loon van dga’s van innova-tieve start-ups worden vastgesteld op het wettelijke minimumloon. Deze uitzondering, opgenomen in de gebruikelijkloonregeling, verbetert de liquiditeitspositie van innovatieve nieuwe ondernemingen. De uitzondering zou vervallen per 1 januari 2022, tenzij de maatregel positief zou worden geëvalueerd. Omdat de evaluatie nog niet is afgerond, wordt de vervaldatum van de uitzondering opgeschoven naar 1 januari 2023. Ook in 2022 kan voor dga’s van innovatieve start-ups dus het wettelijke minimumloon worden aangehouden. Om gebruik te kunnen maken van de tege-moetkoming is wel een zogenoemde S&O-startersverklaring nodig.

Het voorstel is om de verrekening van dividendbelasting en kansspelbelasting (voorhef-fingen) met de vennootschapsbelasting (Vpb) vanaf 1 januari 2022 temporeel te beperken. Dit om strijdigheid met het EU-recht weg te nemen. De verrekening van voorheffingen is maximaal de in een jaar verschuldigde vennootschapsbelasting. Daarbij schuiven de niet-verrekende voorheffingen onbeperkt door naar volgende jaren.

Bij transacties tussen verbonden lichamen geldt het zakelijkheidsbeginsel. Hanteert men een onzakelijke prijs, dan moet deze prijs worden bijgesteld. Hierdoor kan een situatie ontstaan waarbij een deel van de winst nergens wordt belast. Dit gebeurt als de winst van een belastingplichtige omlaag wordt bijgesteld en deze correctie bij het verbonden lichaam niet of tot een lager bedrag als bate wordt belast. De maatregelen in het voorstel beperken in zo’n situatie de neerwaartse aanpassing van de in Nederland belastbare winst bij de belastingplichtige.

Recente rechtspraak kan ertoe leiden dat zoge-noemde houdster- en groepsfinancieringsverliezen verrekend kunnen worden met niet-houdster- en groepsfinancieringswinsten. Het kabinet heeft in de aanbiedingsbrief bij de belastingplannen aangegeven de gevolgen te zullen gaan repareren. Zonder reparatie zou dit de schatkist veel geld gaan kosten. Deze nieuwe regeling zal in een nota van wijziging worden opgenomen.

3) Werkgevers

Aandelenoptierechten zijn belast op het moment dat ze worden omgezet in aandelen. Als de werknemer de aandelen nog niet kan verkopen, is niet altijd het geld beschikbaar om de belasting te voldoen. Daarom wordt het mogelijk om pas af te rekenen op het moment dat de aandelen verhandelbaar zijn. Dan kan een deel worden verkocht om de belasting te voldoen. Verkrijgt de werknemer tussen het moment van uitoefening en het moment van verhandelbaarheid een voordeel uit de aandelenoptierechten? En hebben de aandelenoptierechten in die periode de loonsfeer nog niet verlaten? Ook dan is dat voordeel loon.

Werkgevers mogen aan hun werknemers een belastingvrije vergoeding voor thuiswerken gaan verstrekken van maximaal € 2 per thuis-werkdag. Het mag ook een vaste vergoeding zijn volgens een structureel thuiswerkpatroon. De werkgever kan per dag óf de thuiswerkkostenvergoeding, óf de reiskostenvergoeding woon-werkverkeer geven.

De aanvraag van een S&O-afdrachtvermindering wordt eenvoudiger. Een ondernemer kan voortaan een nieuwe aanvraag indienen die de eerstvolgende kalendermaand start, ook als die maand al in een eerdere S&O-verklaring is opgenomen. Dit maakt dat snel kan worden ingespeeld op nieuwe projecten. Ook hebben verklaringen voortaan betrekking op alle resterende maanden van een kalenderjaar. Dit vereenvoudigt het invullen van de mededeling, die de inhoudingsplichtige elk jaar achteraf moet doen. Ook mag de inhoudingsplichtige voortaan zelf bepalen welk deel van het toegekende bedrag hij in een tijdvak in mindering brengt. Dit geeft meer flexibiliteit.

4) BTW / Omzetbelasting

Er komt een vereenvoudiging voor ondernemers die voor de aangifte van in Nederland verschuldigde btw gebruik maken van de (niet-)Unieregeling en de invoerregeling. Zij geven btw aan in de lidstaat van identificatie. Die verdeelt de btw over de lidstaten waarin de ondernemer heeft verkocht. Ook correcties over een eerder tijdvak worden verwerkt, zodat de btw-melding negatief kan worden. De lidstaat waarvoor de correctie is gemaakt, moet deze afwikkelen. Nederland zal een negatieve btw-melding daarom aanmerken als een verzoek om teruggaaf, zodat de ondernemer daar niet afzonderlijk om hoeft te verzoeken.

5) Wijzigingen Internationaal

De aanvullende CFC-maatregel richt zich tegen het verschuiven van winst naar laagbelastende staten. Deze maatregel laat onder voorwaarden toe dat de buitenlandse winstbelasting van CFC-lichamen wordt verrekend. De te verrekenen buitenlandse belasting wordt per lichaam afzonderlijk berekend. Soms kan niet het gehele bedrag worden verrekend en moet een deel worden vooruitgeschoven. In de wet is niet opgenomen in welke volgorde de verrekening dan moet plaatsvinden. Dat wordt nu geregeld: de belastingbedragen worden in aanmerking genomen van klein naar groot. Zijn de bedragen even groot, dan wordt van elk een evenredig gedeelte in aanmerking genomen.

‘Omgekeerde hybride lichamen’ zijn samenwerkingsverbanden die niet zelfstandig belastingplichtig zijn in het land van vestiging, maar wel als zelfstandig belastingplichtige worden aangemerkt door de staat waar een gelieerde participant is gevestigd. Deze lichamen worden integraal binnenlands belastingplichtig in Nederland, als ze in Nederland zijn gevestigd (of het samenwerkingsverband hier is aangegaan). Als de winst rechtstreeks belast is bij een participant in een staat die dat lichaam als transparant aanmerkt, wordt voorzien in een aftrekmogelijkheid.

Nu komen er aanvullingen die voorzien in het inregelen van de maatregel in de systematiek van de inkomsten-, vennootschaps-, dividend- en bronbelasting. Ook komen er enkele aanpassingen, zoals ten aanzien van het samentellen van belangen van gelieerde lichamen om te beoordelen of sprake is van een omgekeerd hybride lichaam.

Het kabinet wil het begrip vaste inrichting voor de bronbelasting over renten- en royaltybetalingen uitbreiden. Daarvoor zal volgens de aanbiedingsbrief bij de belastingplannen de Wet bronbelasting 2021 worden gewijzigd. Het uitgebreidere begrip geldt nu al voor de vennootschapsbelasting. De uitbreiding zal ertoe leiden dat ook bronbelasting wordt geheven over renten- en royaltybetalingen voor zover die toerekenbaar zijn aan specifieke Nederlandse bronnen, zoals onroerende zaken in Nederland.

In de begeleidende brief bij de belastingplannen kondigt het kabinet een technische wijziging aan in de Wet bronbelasting 2021. De hybride bepalingen zullen worden verduidelijkt. Daardoor zullen hybride lichamen niet langer belastingplichtig zijn voor de bronbelasting als niet tenminste één van de achterliggende gerechtigden (al dan niet via een samenwerkende groep) een kwalificerend belang heeft in het hybride lichaam. Deze wijziging zal terugwerken tot en met 1 januari 2021.

6) Vastgoed

De regeling rond de eigenwoningreserve (EWR) wordt weer hersteld naar situatie van vóór 2013. Een EWR wordt weer gekoppeld aan de persoon van de belastingplichtige en komt bij overlijden van rechtswege te vervallen. Een EWR gaat daardoor nooit over op een andere belastingplichtige. Dit geldt ook voor de aflossingsstand. Een achterblijvende partner wordt door deze wijzigingen niet onnodig geconfronteerd met het eigenwoningverleden van de overleden fiscale partner.

Er worden wijzigingen voorgesteld in de toepassing van de bijleenregeling en de aflossingsstand om de regelingen rechtvaardiger te maken in partnersituaties. Hiermee worden niet-beoogde beperkingen van renteaftrek voorkomen, die mensen ook hadden kunnen vermijden. Bijvoorbeeld met andere huwelijkse voorwaarden of door geen samenlevingscontract af te sluiten. Een eerder beleidsbesluit (over onder meer de bijleenregeling bij gezamenlijke aankoop en financiering van een eigen woning door fiscale partners waarvan een of beiden een eigenwoningverleden hebben) wordt nu in de wet vastgelegd.

Bij een rekenhuur boven de maximumhuurgrens bestaat in beginsel geen recht op huurtoeslag. Een uitzondering op deze regel is het verworven recht. De voorwaarden voor deze uitzondering worden versoepeld. Voorgesteld wordt de eis te laten vervallen dat in de maand voor de huurgrensoverschrijding recht op huurtoeslag moest bestaan. Deze maatregel moet voorkomen dat burgers hun huurtoeslag definitief verliezen als die in een voorgaand jaar door huurgrensoverschrijding tijdelijk geen recht meer hebben op huurtoeslag (bijvoorbeeld door een te hoog inkomen).

Met dit voorstel wordt geregeld dat (onder voorwaarden) een vrijstelling van overdrachtsbelasting (OVB) geldt voor de terugkoop van een woning van een natuurlijk persoon. De vrijstelling geldt als daarmee uitvoering wordt gegeven aan een verkoopregulerend beding. Denk daarbij aan het volgende. Een woning wordt door een aanbieder van woningen met (kopers)korting verkocht aan een bewoner. Als de aanbieder de woning later ingevolge het beding terugkoopt van de bewoner is het niet wenselijk de verkrijging van de woning naar het algemene tarief (thans 8%) te belasten. Als de aanbieder de woning daarna namelijk doorverkoopt aan een starter, mag de aanbieder deze overdrachtsbelasting niet doorbelasten. Dit zou aanbieders ontmoedigen om door te verkopen aan starters.

Als een natuurlijk persoon een woning verkrijgt die voor hem als hoofdverblijf gaat dienen, hoeft hij maar 2% (of soms zelfs geen) overdrachtsbelasting (OVB) te betalen. Bij het toetsen aan dit hoofdverblijfcriterium kan men al rekening houden met onvoorziene omstandigheden die zich voordoen na de verkrijging, bijvoorbeeld overlijden of schenking. Deze bepaling wordt verder versoepeld. Men mag ook aan de hand van een verklaring rekening houden met onvoorziene omstandigheden die zich voordoen nadat de koopovereenkomst tot stand is gekomen, maar vóór de levering. Belangrijk is dat de verkrijger vóór het moment van de onvoorziene omstandigheid de intentie had om de woning als hoofdverblijf te gaan gebruiken, maar door deze omstandigheid hier niet meer toe in staat is.

Per 1 april 2021 geldt de startersvrijstelling overdrachtsbelasting voor woningen tot € 400.000 (de woningwaardegrens). Om te voorkomen dat woningen gesplitst worden verkregen om zo onder die woningwaardegrens te blijven, bestaat een antimisbruikbepaling. Die regeling in de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) heeft als doel het voordeel van de startersvrijstelling weg te nemen als het totaal van de waarde van de verkrijgingen uitkomt boven € 400.000. Deze wordt gewijzigd om een aantal onduidelijkheden weg te nemen.

In 2022 zal de inhoud van het aangiftebericht overdrachtsbelasting (OVB) worden uitgebreid. Vanaf dan moet de notaris meer gegevens via het aangiftebericht aanleveren (zoals het BSN en de vrijstelling waarop een beroep wordt gedaan). Sommige gegevens die al via het aangiftebericht aan de Belastingdienst worden verstuurd, hoeft de notaris dan niet meer afzonderlijk aan de Belastingdienst door te geven. Dit geldt bijvoorbeeld voor de schriftelijke verklaring die een particuliere koper van een woning invult bij toepassing van de startersvrijstelling of het verlaagde tarief.

Het tarief van de verhuurderheffing gaat omlaag naar 0,485%. Voorts zijn er heffingsverminderingen verhuurderheffing. Hiervoor wordt een bedrag in de Rijksbegroting gereserveerd. Deze heffingsverminderingen kunnen per de eerste dag van elk kwartaal tot nihil worden verminderd bij overschrijding van het begrote bedrag. Het wetsvoorstel voorziet erin dat de heffingsverminderingen voortaan op de eerste dag van elke maand op nihil gesteld kunnen worden.

7) Maatregelen vervoer

Op de bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak mag men in 2021 voor elektrische auto’s en andere auto’s zonder CO2-uitstoot 10% korting toepassen. Een paar uitzonderingen daargelaten, is deze korting hooguit € 4.500 (berekend over maximaal € 45.000 cataloguswaarde). Per 1 januari 2022 daalt de korting naar 6% en is dan maximaal € 2.100 (berekend over maximaal € 35.000). In 2023 is de korting hooguit € 1.800 (berekend over maximaal € 30.000).

Doordat auto’s steeds minder CO2 uitstoten en de hoogte van de BPM is gebaseerd op deze CO2-uitstoot, neemt de opbrengst van de BPM af. Om dit tegen te gaan worden de schijfgrenzen aangepast. De schijfgrenzen voor personenauto’s worden voor de periode tot en met 2025 elk jaar met 2,3% verlaagd en de schijftarieven met 2,35% verhoogd. Dit geldt eveneens voor dieselvoertuigen. Vanaf 2023 en verder worden de tarieven eerst geïndexeerd en vervolgens verhoogd met 2,35%.

BPM is verschuldigd op het moment dat een motorrijtuig wordt ingeschreven in het kentekenregister. Het voertuig moet dan geschikt zijn voor gebruikmaking van de weg. Bij parallelimport van bijvoorbeeld een schadeauto is de hoogte van de bpm afhankelijk van het afschrijvingspercentage. Dat percentage mag gebaseerd zijn op een taxatierapport dat is opgemaakt op het moment dat het motorrijtuig op de weg mag. Wordt aangifte gedaan voordat gebruik mag worden gemaakt van de weg, dan moet de afschrijving worden gebaseerd op de wettelijke leeftijdstabel of een in de handel algemeen toegepaste koerslijst.

Met een apart wijzigingsvoorstel zal de regering een overgangsregeling voorstellen in het geval vaneen tariefswijziging in de BPM. Vanaf 1 januari 2022 wordt voor de BPM het belastbaar feit vervroegd naar de inschrijving in het kentekenregister. Nu is dat nog het moment van de registratie. Bij een tariefswijziging moeten alle nieuwe motorrijtuigen die nog niet op naam zijn gesteld, binnen twee maanden op naam worden gesteld. Gebeurt dit niet, dan is het nieuwe tarief van toepassing in plaats van het oude tarief dat gold op het moment van inschrijving.

8) Vermogen

Belastingplichtigen die aan het begin van 2022 nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, krijgen in 2022 naar verwachting met de volgende tariefschijven te maken.

Tarief inkomstenbelasting 2022
Schijf laag tarief tot € 69.398,- is 37,07%
Schijf hoog tarief vanaf € 69.398,- is 49,50%

Tarief inkomstenbelasting 2021
Schijf laag tarief tot € 69.507,- is 37,10%
Schijf hoog tarief vanaf € 69.507,- is 49,50%

Deze percentages zijn inclusief premies volksverzekeringen. Voor wie andere premies volksverzekeringen gelden, is een andere tariefstructuur van toepassing.

Belastingplichtigen die aan het begin van 2022 de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt en zijn geboren na 1946, krijgen in 2022 naar verwachting met de volgende tariefschijven te maken.

Tarief inkomstenbelasting 2022 (AOW-ers)
Schijf 1 tarief tot € 35.472,- is 19,17%
Schijf 2 tarief vanaf € 35.472,- tot € 69.398,- is 37,07%
Schijf 3 tarief vanaf € 69.398,- is 49,50%

Tarief inkomstenbelasting 2021 (AOW-ers)
Schijf 1 tarief tot € 35.129,- is 19,20%
Schijf 2 tarief vanaf € 35.129,- tot € 69.507,- is 37,10%
Schijf 3 tarief vanaf € 69.507,- is 49,50%

Deze percentages zijn inclusief premies volksverzekeringen. Voor wie andere premies volksverzekeringen gelden, is een andere tariefstructuur van toepassing.

Hierin zijn alleen de wijzigingen in heffingskortingen opgenomen zoals vermeld in de Memorie van toelichting van het Belastingplan 2022. Deze betreffen belastingplichtigen die jonger zijn dan de AOW-leeftijd. Voor AOW-gerechtigden gelden lagere maxima.

Heffingskortingen 2022 (€) 2021 (€) 
Algemene heffingskorting maximaal  2.874 2.837 
Arbeidskorting maximaal 4.260 4.205 
Inkomensafhankelijke combinatiekorting max. 2.534 2.815 
Jonggehandicaptenkorting 771 761 

Voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) wordt de behandeling van belastingplichtigen met een in het buitenland woonachtige partner gelijkgetrokken met de behandeling van belastingplichtigen met een partner die binnenlandse belastingplichtige is.

Iemand die in het buitenland op één adres woont met een niet-werkende partner kan nu voor de IACK nog als alleenstaande worden aangemerkt. Ook kan het voorkomen dat twee buitenlands belastingplichtigen met Nederlands arbeidsinkomen die buiten Nederland op hetzelfde adres met een kind staan ingeschreven, beiden recht hebben op de IACK. Deze uitzonderingen op het fiscale partnerbegrip zullen niet meer gelden voor de IACK.

De geboorte van een kind bij verblijfsgerechtigde ouders kan leiden tot verlies van huurtoeslag. Het kind beschikt namelijk bij de geboorte niet over een verblijfsvergunning. Voor het recht op huurtoeslag is vereist dat alle bewoners een verblijfsvergunning hebben. Die eis wordt versoepeld. Bij het beoordelen van het recht op huurtoeslag wordt de verblijfsstatus van minderjarige leden van het huishouden niet meer meegewogen. Uitsluitend personen van 18 jaar of ouder moeten over een geldige verblijfsvergunning beschikken.

De rendementspercentages voor inkomen uit sparen en beleggen (box 3) worden jaarlijks aangepast. Om deze technische aanpassing voor belastingplichtigen beter controleerbaar te maken, worden de berekeningswijzen in de wet uitdrukkelijk in formulevorm vastgelegd. Hiermee wordt geen verandering aangebracht in de berekeningswijze, alleen de schrijfwijze wordt algebraïsch. De gevolgen van een aanpassing van het basisjaar kunnen vanaf 2022 bij ministeriële regeling worden gedaan.

Belastingplichtigen of de partner met vrijgestelde groene beleggingen krijgen een aanslag inkomstenbelasting voor box 3. Deze beleggingen zijn namelijk ook relevant voor de inkomensafhankelijke regelingen. In de Belastingplannen 2022 wordt met terugwerkende kracht naar 1 januari 2021 het opleggen van een aanslag bij de aanwezigheid van groene beleggingen gecorrigeerd. Dan wordt een aanslag alleen opgelegd indien de groene beleggingen behoren tot het bezit van de belastingplichtige of zijn partner met wie hij het gehele jaar gehuwd (of geregistreerd partner) was.

Het (nog in te dienen) voorstel Wet hersteloperatie toeslagen betreft met name codificatie van beleidsbesluiten die al in werking zijn getreden en worden uitgevoerd. Op dit moment wordt nog gewerkt aan aanvullende regelingen om recht te doen aan kinderen van gedupeerde ouders, ex-partners van gedupeerden en gedupeerden bij andere toeslagen. Er komt ook een ‘beleidsbesluit private schulden’.

De grondslagen voor de uitkeringen door gemeenten zullen worden opgenomen in het wetsvoorstel. Dat gaat vooral om het vergoeden van kwijtgescholden publieke schulden en hulp aan gedupeerde ouders op de vijf leefgebieden (werk, wonen, zorg, gezin en financiën).

Hulp nodig?

We kunnen ons voorstellen dat u na het lezen van dit artikel nog vragen heeft. Vraag uw adviseur naar meer informatie hierover. Hebt u géén boekhouder of administrateur? Kijk dan verder op onze site, wellicht dat onze diensten ook bij u aansluiten!

Bron: 1) Rijksoverheid 2) Grant Thornton

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s